← terug

De wol wordt gemaakt van het fijne warmte-isolerende onderhaar van de yak, een Aziatische hooglandrund. De yak is een gedomesticeerde diersoort. De grote runderen komen veel voor in het Himalaya gebergte waar zij worden gehouden door mensen uit het noorden van China, Mongolië, Tibet en Nepal. De sjaals worden voornamelijk met de hand gemaakt door wevers uit Nepal.

De geschiedenis

De wilde voorouder van veel Europese rundveerassen is het oerrund (Bos primigenius). De stieren van deze dieren waren zwartbruin met een lichte aalstreep (een streep over de rug van de koe) en een witte ring om hun kin en neus en konden een schofthoogte (de hoogte tot de schouder) bereiken van 2 meter. De koeien waren roodbruin met ook een aalstreep en konden een schofthoogte bereiken van 1.70 meter. Zowel de stieren als de koeien hadden horens die (liervormig) naar buiten waren gebogen en naar voren waren gericht. Deze waren helemaal wit en op de top een donkere punt. Dit weten we onder andere door de muurtekeningen in de grotten van Lascaux in Frankrijk en Abrigo de los Toros in Spanje.

Het Oerrund was afkomstig uit Azië en leefde vanaf de tweede helft van het Pleistoceen in Europa (met uitzondering van Ierland en het noorden van Scandinavië), maar kwam ook voor in Noord-Afrika. Na de laatste ijstijd (ongeveer 10.000 jaar geleden) verschenen deze runderen ook in Nederland. Er werd veel op ze gejaagd en in de periode van 300-400 N.C. stierf de laatste in Nederland. De Bos primigenius verdween in de jaren 1200-1400 N.C. uit Europa vermoedelijk ten gevolge van de slechter geworden voedselsituatie. Het vermoedelijke laatste oerrund is op het jachtgoed Jaktorowski bij Mazowsze 1627 in Polen gestorven.

 

yak1Uit het Voor-Indische oerrund ontwikkelde zich onder andere de zeboe, die wordt beschouwd als de stamvorm van alle Aziatische en Afrikaanse runderen die niet van de waterbuffel afstammen. De Yak is een verwant van de oeros. Ongeveer 6000 jaar geleden begon de mens met het temmen van dit dier (domesticeren). De runderen leverden warme vachten en vlees. Door het temmen werd het dier mak en de uiterlijke en innerlijke kenmerken veranderden. Doordat ze minder te eten kregen bij de mensen werden ze steeds kleiner en hun horens werden korter. In de Middeleeuwen fokte ze met de kleinste dieren om dit effect te versterken. De koe was rustiger en vrediger geworden. Door het selectieve fokken veranderde de vacht van kleur, maar ook die van de stier. Ze werden: grijs, beige, bruin of zwart. Er kwam verschil tussen werkkoeien en koeien die konden worden vetgemest. In bijna elke streek ontstond een eigen runderras. Ook gingen mensen met hun kuddes door het land trekken. De dieren gingen zich aan het klimaat aan passen. In koude streken kregen ze een dikkere vacht en in streken met veel gras werden ze groter. Door het rondtrekken mengden de verschillende rassen zich. Zo ontstonden er vele verschillende koeien rassen.

(bron: https://home.versatel.nl/spook112/geschiedenis.htm)                                                                                   ← terug